Voetlood, loodslabbe, voeglood en loketten
Bij dakonderbrekingen (bijvoorbeeld
dakkapellen) wordt de loodstrook aan de voet van de dakkapel het z.g. "voetlood",
ter afsluiting van de aansluiting dakkapel/dak toegepast. Ook aan de voet
van een hellend dakvlak ter plaatse van de dakgoot kan een strook bladlood
dienen als afdichting van de aansluiting van beide elementen om te
verhinderen dat spatwater wordt opgenomen door de kopse beëindiging van het
dakbeschot.
Een "loodslabbe" wordt veelal toegepast ter
afdichting van de aansluitingen tussen (platte) daken of galerijen en
opgaande gevels of tussen daken en schoorstenen. De loodslabbe wordt
ingevoegd in een lintvoeg van het gevelmetselwerk en ontleent daaraan ook de
naam "voeglood".
Loodslabben in een spouwmuur, het z.g.
"voeglood", worden doorgezet als afdichting van de spouw tegen zakwater. Een
dergelijke afdichting van de spouw in gevels is ook de voornaamste taak van
de loodstroken die worden toegepast bij geveldoorbrekingen (bijvoorbeeld bij
raam- en deurkozijnen).
"Loketten" zijn stukken bladlood van beperkte
afmetingen die trapsgewijs worden toegepast bij de aansluiting tussen
verticaal metselwerk en een hellend (dak) vlak. Ze zijn aan een zijde in het
metselwerk bevestigd en overlappen de loden afdichtingstrook tussen het
hellende vlak en het metselwerk. Loketten worden tot in het binnenspouwblad
doorgevoerd.
Waarop te letten bij het verwerken
van voetlood, loodslabbe en voeglood
1. Loodslabben in gevelmetselwerk moeten - tenzij andere voorzieningen zijn
getroffen - altijd worden doorgezet tot aan het binnenspouwblad. Het enkele
centimeters diep in het buitenspouwblad invoegen van een loodslabbe heeft
geen enkele zin, tenzij de gevel vrij is van slagregen ofwel is opgetrokken
in waterafstotende steen. In de regel dringt het regenwater zover in de
gevel dat een belangrijk deel daarvan achter de beëindiging van de
loodslabbe omlaag zakt.
2. De loodslabben in spouwmuren moeten tegen het binnenspouwblad minimaal
250 mm hoog worden opgezet, gemeten ten opzichte van de voeg in het
buitenspouwblad waar de loodslabbe wordt ingeleid. De loodslabbe wordt
omgevouwen en in het binnenspouwblad gefixeerd met een voegklem. Bij een
binnenspouwblad van beton, gelijmde kalkzandsteenblokken of bij
binnenspouwbladen in houtskeletbouw, moeten de loodslabben worden gefixeerd
met een aluminium knelstrip.
3. Boven loodslabben in gevelmetselwerk moeten open stootvoegen worden
gespaard (minimaal 1 per strekkende meter) om het zakwater in de gevel naar
buiten af te voeren.
4. Laat het bladlood niet overbodig breed uitsteken buiten het metselwerk
(bijvoorbeeld bij de aansluiting met dakbedekking). Dit kan door de
dakbedekking tegen het bladlood te laten aansluiten met een uitstekend deel
van 50 à 80 mm (zie TNO-rapport).
5. Indien lood onvoldoende wordt ondersteund zal het uitzakken. Om die reden
verdient het aanbeveling de loodslabbe in de spouw te ondersteunen met
behulp van bijvoorbeeld kunststof strips, bevestigd in het binnenspouwblad
of met behulp van uitdragende metselwerkklinkers.
6. Loodslabben moeten worden samengesteld uit stroken met een minimale dikte
van 1,59 mm en een maximale lente van 1.500 mm. Dit is vooral van belang in
situaties waar de loodslabbe aan intensieve koude- en warmtebelasting is
blootgesteld.
7. De stroken van een loodslabbe moeten elkaar tenminste 80 mm overlappen.
Het verdient aanbeveling de overlappen met de overheersende windrichting mee
te dekken ("van het weer af"). Blijf ± 50 mm van de kim vandaan.
8. De overlappen van loodslabben, voorzover in het metselwerk gelegen,
moeten worden voorzien van een "waterkerende" rand (z.g. klisrand). De
overlappen van het buiten het metselwerk gelegen (vrij hangende) gedeelte
van loodslabben moeten nadrukkelijk worden los gehouden. Bij een gefelste
verbinding moet de felsverbinding buiten de gevel niet te zwaar worden
aangedrukt of aangeslagen, zodat voldoende schuifruimte in de felsverbinding
blijft gewaarborgd.
9. Loodslabben die alleen een spouwafdichtende functie hebben (o.a. bij
lateien en bij de bovendorpels van kozijnen) behoeven in de regel niet meer
dan ca. 15 mm buiten het gevelvlak uit te steken.
10. Om het eventueel opwaaien van het vrij hangende deel van loodslabben te
beperken (ezelsoren), kan het nodig zijn de loodslabben aan de uiteinden
dubbel te vouwen teneinde plaatselijk meer gewicht te verkrijgen en enige
verstijving van de rand te bereiken. In sommige gevallen (vooral op de
hoeken van schoorstenen), verdient het aanbeveling loodslabben extra te
verankeren met behulp van klangen die op het metselwerk worden gemonteerd.
Waarop te letten bij het maken van
loketten
1. De breedte van de loketten mag maximaal 400 mm bedragen. De onderlinge
overlappen dienen ca. 100 mm breed te zijn, afhankelijk van de dakhelling.
2. In de muurspouw dient het loket minimaal 250 mm te worden opgezet tegen
het binnenblad en daarin te worden gefixeerd met voegklemmen in een voeg
(bij gemetselde binnenspouwbladen) of daartegen te worden bevestigd met een
knelstrip (beton, kalkzandsteen en hout).
3. Het lood moet in de spouw goed worden ondersteund met behulp van
metselwerkklinkers of met stroken kunststof plaatmateriaal, opgenomen in de
voegen van het binnenspouwblad.
4. Bij de aansluiting van een hellend dak (bijvoorbeeld een dakpannen dak)
met opgaand metselwerk (bijvoorbeeld een gevel of schoorsteen), wordt met
een opstaande loodstrook een eerste aansluiting gerealiseerd. Deze
loodstrook wordt over de dakpannen geklopt en met (koperen) ankernagels met
een grote, brede kop, vastgezet in het metselwerk. Hier overheen dekken
worden de loketten aangebracht.
5. De loketten zelf, die trapsgewijs in het metselwerk worden opgenomen,
zijn in de spouw aan beide zijden voorzien van een opgezette rand.
Vanzelfsprekend bevindt de hoogst opgezette rand zich aan de achterzijde,
zodat het water aan de voorzijde overloopt en altijd op een lager liggende
loket terecht komt.
6. Het water dat op een loket terecht komt moet via een open stootvoeg in
het metselwerk worden afgevoerd. Per loket dient daartoe minimaal één open
stootvoeg te zijn aangebracht.
Patineerolie en oppervlaktebehandeling
Lood is uitstekend bestand tegen atmosferische invoelden. Bij blootstelling
aan de buitenlucht wordt aan het loodoppervlak langzaam en geleidelijk een
sterk hechtende en vrijwel onoplosbare oxidelaag gevormd met een
zilvergrijze natuurlijke kleur (patina.).
Bij aanvang van het oxidatieproces ontwikkelt zich aan het loodoppervlak
eerst een onstabiele laag loodoxide. Dat is na een enkele regenbui al goed
zichtbaar in de vorm van lichtgrijze vlekken en strepen, dit is de z.g.
instabiele fase waarin het beginpatina nog gedeeltelijk afspoelbaar is. Vrij
snel ontwikkelt zich echter de permanente en goed aanhechtend beschermde
oxidatielaag, het z.g. loodpatina.
Door het gebruik van patineerolie wordt de instabiele fase praktisch geheel
voorkomen. Het heeft buiten de vorming van de egale, grijze loodkleur van
het bladoppervlak als grote voordeel dat strepen op de oppervlakte onder het
bladlood, zoals dakpannen en leien, worden voorkomen. Dit is ook om
esthetische redenen ongewenst, vooral bij "in het zicht" vallend werk.
Eenvoudig inwrijven met een zachte doek is voldoende en voorkomt de vorming
van vlekken en strepen. Voor een optimaal resultaat wordt verwezen naar de
fabrieksdocumentatie.